Aan de Academie Minerva te Groningen heeft Greving het vakmanschap geleerd, maar zoals bij de meesten van zijn collega's is dit technisch kunnen slechts een hulpmiddel om iets anders neer te zetten. Voor Greving is dat de verwondering over de schoonheid van eenvoudige of banale dingen. Die verwondering legt hij vast in een sfeer van rust, intimiteit en zuiverheid. De dingen worden getoond zoals ze zijn. Ondanks hun eenvoudige onderwerp en zachte tonen zijn Grevings schilderijen steeds aanwezig; ze eisen ruimte en aandacht op. De toeschouwer wordt uitgenodigd zorgvuldig te kijken en er de tijd voor te nemen.
De kunstenaar vindt het stilleven een ideaal genre, omdat compositie en belichting naar eigen hand gezet kunnen worden. Dan gaat het om de vorm, het materiaal, het effect van licht dat er op schijnt en de verhouding van de voorwerpen tot de ruimte. Ieder ding wordt geconcentreerd, in detail en zonder opsmuk geschilderd. Elke 'verfraaiing', zoals een losse verftoets of oneigenlijke kleuren zijn uit den boze.
De eerste opzet van het schilderij is voor de kunstenaar het belangrijkste: die is vrij direct, haast impulsief en vrij compleet. Is die opzet goed, dan probeert hij in de verdere uitwerking die aspecten die hem bevallen, vast te houden. Laag over laag wordt het schilderij opgebouwd, waarbij de kunstenaar weinig verf per laag gebruikt. Dit kost weliswaar meer tijd, maar biedt ook de mogelijkheid direct in de juiste toonwaarde te werken. Iedere nuance wordt met dezelfde intensiteit geschilderd. Met deze manier van schilderen wordt de verandering van kleur en vorm onder invloed van het licht tot in detail inzichtelijk gemaakt en worden de objecten bijna tastbaar aanwezig. Het is met name dit aspect dat het oeuvre van Greving zo interessant maakt.